Verschillende soorten doorvoeringen
Doorvoeringen van kabels
Door de steeds maar toenemende hoeveelheid elektrische- en elektronische installaties in gebouwen neemt ook de hoeveelheid bekabeling per vierkante meter toe. Deze hoeveelheid varieert van ongeveer 2 kg/m² tot wel 5 kg/m² in ICT-omgevingen. Deze kabeldichtheid kan zelfs groter worden op ICT- knooppunten zoals bij telecom- en datacentrales.
In het algemeen worden kabelmantels gebruikt van PVC. Deze PVC-mantels bevatten een hoog percentage weekmaker, dat er voor zorgt dat de mantels makkelijk branden. Hierdoor kunnen branden die in kabelbundels ontstaan, vaak door overbelasting en dus oververhitting van de kabelgoot, zich als een lont door het gebouw verplaatsen. Bovendien ontstaat bij verbranding van conventionele PVC-kabels per kilogram PVC ongeveer 1,2 liter zoutzuurgas. Dit gas is zeer giftig en heeft nog lang na de brand een corrosieve werking op installaties en metalen delen. Zelfs het wapeningsijze in betonnen wanden en constructies kan er door aangetast worden. In het laatste geval is sloop van het bouwdeel nog de enige optie.
De hoeveelheid elektrische branden zal in de komende jaren alleen maar toenemen. In 2004 was al meer dan 20% van de branden te wijten aan een apparaat dat defect was of verkeerd was gebruikt (CBS: 2004). Doorvoeringen van kabels kunnen tot 360 minuten brandwerend gemaakt worden door toepassing van de Gerco Firestop brandwerend afdichtingssystemen.
Doorvoeringen van metalen leidingen
Metalen leidingen zijn er in vele materialen: roestvaststaal, staal, koper, aluminium. In het algemeen kan gesteld worden dat metalen leidingen (m.u.v. aluminium) voor de vlamdichtheid geen extra eisen aan het afdichtingsysteem stellen. Afhankelijk van de toepassing kan de leiding geïsoleerd zijn met conventionele minerale wol isolatie, PIR, PUR of elastomeren. In sommige gevallen, zoals bij koelleidingen is het niet wenselijk om de isolatie te onderbreken. In deze gevallen verdient het brandgedrag van het gebruikte isolatiemateriaal bijzondere aandacht.
Doorvoeringen van kunststof leidingen
Het gebruik van kunststofleidingen in bouwwerken neemt sterk toe. Werden vroeger alleen de hemel- en vuilwaterafvoeren uitgevoerd in PVC of PE, tegenwoordig zien we steeds meer leidingen van centrale verwarming en water in kunststof uitgevoerd worden. Zelfs rookgasafvoeren van stookinstallaties worden in kunststof toegepast.
Afhankelijk van de gebruikte kunststof, de hoeveelheid weekmakers en de dikte begint een dergelijke leiding bij ongeveer 125°C te verweken. De leiding zal vervolgens in elkaar zakken waardoor er een grote opening ontstaat in de wand of de vloer waardoor de leiding voert. In het geval van de vloerdoorvoeren zal de leiding veelal eerst over het gat vallen waardoor de prestaties iets beter zijn dan bij wanddoorvoeren. Korte tijd na het inzakken van de leiding raakt deze in brand en zorgt zo voor de uitbreiding van de brand naar andere delen van het gebouw.
Bijzondere aandacht moet geschonken worden aan kunststofleidingen die in gebruik zijn als ventilatiekanaal. Dit valt buiten het toepassingsgebied van de NEN-EN 1366-3. Hiervoor moet de leiding beproefd zijn volgens NEN 6076 of de NEN-EN 1366-1. Indien de ventilatie automatisch in geval van brand afgeschakeld wordt kan hiervan afgeweken worden.
Doorvoeringen van ventilatiekanalen
Als een kanaal, dat is bedoeld voor ventilatie een brandscheiding passeert is een brandklep verplicht. Indien het kanaal wordt toegepast om in geval van brand als rookgasafvoer te functioneren is een brandklep vanzelfsprekend ongewenst. In het laatste geval zal het gehele kanalensysteem brandwerend uitgevoerd moeten worden.
Ventilatiekanalen zijn in het algemeen van staal vervaardigd. Hierdoor ontstaan vervormingen bij verhitting. Het is daarom van belang dat deze kanalen ter plaatse van de doorvoer voldoende door het afdichtingsysteem worden geïsoleerd, zodat deze eventuele opwarming en vervormingen worden gecompenseerd en afgedicht. Het huis van de brandklep dient zich ter hoogte van de brandscheiding te bevinden. Dit laatste is niet altijd mogelijk. Indien de brandklep zich niet in de brandscheiding bevindt zal daarom het gedeelte van de brandklep tot aan de brandscheiding alsnog brandwerend behandeld moeten worden. Een speciaal aandachtspunt vormt de ophanging van het kanaal. Indien de ophanging faalt in geval van brand kunnen grote krachten op de brandscheiding uitgeoefend worden.
|